Langs en over de Karpaten (1)

LAND/REGIO: Roemenië, Hongarije, Slovakije en Polen
LEEFTIJD KIND(EREN): 5 en 6 jaar
PERIODE: 1 maand


Sinds een paar jaar zijn we gebeten door het fietsvakantie-virus. Een ernstige, maar plezante aandoening, die ons gezin – Steven, Katrien, Marie en Bent – deze zomer deed besluiten een fietstocht te maken van Zuidoost-Roemenië naar Polen, met de Karpaten als rode draad.

Moddervulkanen

We kozen voor een heen- en terugreis per trein, wat anno 2015 heel wat opzoekwerk en geduld vergt. En toch: nog geen 48 uur nadat we onze voordeur toesloegen, stappen we uit de trein in Ploiești, een ietwat vergeten industriestad ten noorden van Boekarest. Klaar voor anderhalve maand trappen! Wij zijn enthousiaste gebruikers van het Warmshowers netwerk, zeg maar een fietsvariant van couchsurfing. Mircea, onze eerste gastheer, blijkt een bezielde fietser en geeft ons meteen enkele leuke fietstips.

De streek tussen Urlați en Focșani is amper bekend onder toeristen en al zeker niet bij fietsreizigers. Er valt nochtans heel wat moois te ontdekken in deze oostelijke uitlopers van de Karpaten. Je vindt er druiven, maar ook kleinschalig weide- en boslandschap. Niet ver van Berca, in een vrijwel ongerept landschap duiken plots de ‘Vulcanii Noroioși de la Pâclele Mari’ op. Zeg maar: de moddervulkanen. Er brubbelt constant modder uit de grond, wat zorgt voor een maanlandschap met vulkaanachtige heuveltjes. De temperatuur is intussen opgelopen tot zo'n 40 graden en we drinken liters water.

 

Kloosters als strips

De heuvelachtige streek uitrijden doen we via een afdeling die ons recht naar het station van Gugești voert. Een kwartier later springen we op de trein naar Adjud. Ook de vlakte tussen Adjud en Suceava doen we per trein. Gedurende enkele uren sporen we doorheen het grootste veld zonnebloemen dat we ooit zagen en in Suceava nemen we nog een trein naar Gura Humorului. We staan weer aan de rand van de Karpaten, in Bucovina. Onze fietsroute voert ons langsheen beschilderde Orthodoxe kloosterkerken. Taferelen met vallende engelen en gemartelde heiligen fascineren als stripverhalen. De hitte van de eerste dagen heeft plaats gemaakt voor draaglijker temperaturen, af en toe krijgen we een buitje. In Mănăstirea Humorului slapen we op de kampeerboerderij van Elena in een oude Franse caravan. Elena is lerares Frans en maakt de gastronomische reputatie van Bucovina helemaal waar. Marie en Bent smullen van de pannenkoeken met bosbessenconfituur. Elena verblijft alleen met haar mama op de boerderij, haar man, kinderen én kleinkinderen wonen vandaag in de Verenigde Staten. Dergelijke verhalen van emigratie zullen we tijdens deze vakantie nog dikwijls horen.

Nog meer lekkers

In Sucevița maken we kennis met Agroturismo op zijn Roemeens. Op een eenvoudige camping krijgen we opnieuw overheerlijk eten dat door de moeder des huizes wordt klaargemaakt. Nu begint onze doorsteek door de Karpaten pas écht: de hele voormiddag lang trappen we om zo’n 600 meter te stijgen. Langs de kant van de weg staan overal auto’s geparkeerd, mensen komen met emmers vol bosbessen uit het woud. Op de pas volgt de beloning in de vorm van een geïmproviseerd marktje met lokale producten: opgelegde paddenstoelen, afinată (bosbessenlikeur), palincă (een brandewijn van appels) en țuică (brandewijn van pruimen) en dat in alle mogelijke potjes en maten. Er wordt vlees op spiesjes geroosterd en wij stillen onze dorst met lokale frisdranken. En dan volop genieten van de al even spectaculaire afdaling naar Moldovița – heel even rijden we bijna 50 km/u. Overal bossen, weiden en hooioppers.

 

Forel vangen

‘s Middags is het moment voor een grote stop. Marie en Bent vinden altijd wel een plek om wat te spelen en daar beleggen we onze broodjes. Plaatselijke honing, verse geitenkaas en bosbessenconfituur smaken naar méér. ’s Avonds koken we op ons gasvuurtje. Valt het weer tegen, dan slapen we in een Agroturismo. Zo ook in Ciocăneşti. Viorica, de bazin, verwent ons met verse forel die Bent en Marie zélf mochten vangen. Alwéér een hoogtepunt.

We vorderen alsmaar verder westwaarts en stijgen naar de Prislop-pas, met zijn 1416 m de hoogste van onze vakantie. De weg ligt vol putten, maar is goed te fietsen. Tegen onze verwachtingen in is hier amper verkeer, los van de schapenkuddes en de houthakkers.

Oxford in de Maramureș

De afdaling brengt ons in het district Maramureș, een regio met bergtoppen van meer dan 2000 m hoog. De streek heeft haar kleinschalige karakter grotendeels kunnen bewaren, met tienduizenden hooioppers, houten huizen en orthodoxe kerken die op de Werelderfgoedlijst staan. Toch rukken ook hier de ijzeren golfplaten en de betonnen snelbouwstenen op.

In Borșa pikken we de dierenmarkt mee. Hier merk je dat Roemenië zich echt tussen traditie en moderniteit bevindt: vrouwen met haarkapjes en boerinnenschorten lopen er naast hippe tienermeisjes met smartphones.

De drukte van de hoofdwegen valt op. Gelukkig zijn de zijvalleien van de Iza-rivier rustig en dus heerlijk om te fietsen. In Botiza worden we in perfect ‘Oxford English’ ontvangen door de kleindochter van de eigenares. Het meisje blijkt naar de Transsylvania International School in Cluj te gaan, zowaar een deel van Cambridge University.

Om de hoofdwegen te vermijden steken we langs veldwegen door naar Poienile Izei. Af en toe moeten we een paar kilometer onze fietsen duwen, maar het landschap maakt dat ruimschoots goed. Soms stoppen we wat vroeger of blijven we een dag ter plaatse. Zoals in Breb, een authentiek Roemeens dorpje. De boeren lopen ’s ochtends over de weide van de camping naar hun velden met de riek op de rug. Het leven kent er duidelijk een ander tempo.

Fietsbenen

Maramureș buitenfietsen vereist opnieuw een stevige klim. Met een beetje lood in de schoenen, bij 30°, beginnen we eraan. Maar opnieuw merken we dat fietsen in de warmte wel meevalt en dat we stilaan goede fietsbenen beginnen te krijgen. Vrij snel staan we in het skistation Cavnic en mogen we de rest van de dag afdalen. We fietsen de valleien van de Someș en de Tisza binnen. Als we in de buurt van Satu Mare geen camping vinden, slaan we de tent op in een klein boerenhof. Drie generaties wonen er in één huis, een aantal familieleden zijn uitgeweken naar Italië. De grootmoeder is thuis en kleedt Marie prompt in een jurk die ze zelf nog voor haar dochter naaide, 30 jaar geleden.

Doodlopende fietspaden

Schengen-surrealisme is helaas erg reëel, zo blijkt aan de Roemeens-Hongaarse grens. Op de dijk van de Someș ligt een prachtig transnationaal fietspad dat als ‘Huro-velo’ wordt gepromoot. Maar een tegenligger verwittigt ons dat we de grens niet over kunnen: “Er staat een Hongaarse politiecombi en die stuurt alle fietsers terug.” Tegenvaller, dan toch maar de grens over via de drukke baan.

Na het polyglotte Roemenië is Hongarije qua taalgebruik een uitdaging. Toch slagen we erin om onze tent op te zetten in de kersenboomgaard van een pension in het kleine centrum van Csenger. Marie en Bent plukken zich te pletter. Csenger telt veel gebouwen van de Hongaarse architect Imre Makovecz, zowat de Gaudí van Hongarije. Vooral de gevleugelde kerk is erg opvallend, maar ook de sporthal is een mooi voorbeeld van organische architectuur.

Stof en modder

In Hongarije beleven we de warmste dagen van onze fietsreis. Tussen Csenger en Nyírbátor smelt het asfalt onder onze fietsbanden. We zijn dus blij wanneer het plots begint te overtrekken. We spotten enkele reeën die wegduiken tussen de maïs en het graan. Een bliksemflits, en nog één. Nog geen drie minuten later staan we allemaal te schuilen onder onze zeildoeken. De kinderen schateren het uit: de regen kletst met bakken uit de lucht en wij blijven droog. Maar een kwartiertje later vergaat het lachen ons snel: de weg is een modderbaan geworden. De voettocht van amper één kilometer wordt één van de zwaarste van onze reis. Dazen en steekvliegen duiken op uit het niets. Ons humeur wordt danig op de proef gesteld, maar bij de eerste geasfalteerde straat is de miserie voorbij, dankzij een behulpzame familie met een tuinslang.

Eurovelo euforie

Platte rust in Nyírbátor. Aan onze verbazend rustige camping is een warmwaterzwembadcomplex verbonden. Hongarije is niets voor niets het land van de thermale buitenbaden. Twee dagen genieten we van brubbelen in water van 37° en warmer, glijbanen en waterspeeltuinen. Het platteland in de buurt van Nyírbátor is vrij bosrijk. Dat helpt als het bijna 40 graden is. In de bossen en stuifzandduinen rond Nagykálló vindt een soort traditioneel ambachtenkamp plaats. Meer dan tweeduizend mensen zijn er in de weer met houtsnijwerk, ijzersmeedwerk en leerbewerking. Af en toe worden de kinderen getrakteerd op een douche met de brandweerslang. Vrouwe Marie maakt er een houten lepel en Ridder Bent een zwaard.

Vanuit Sárospatak brengt een Eurovelo-fietspad op een voormalig smalspoorbaantje ons tot in Slovakije. De industriestad Košice combineert uitgestrekte appartementsblokwijken en een grote Roma-gemeenschap met een historisch centrum. Omdat we de afgelopen weken niet minder dan acht spaken hebben gebroken, maken we een afspraak in The Bicycle Garage. Meteen krijgen we een paar tips voor toffe plekjes in de stad: de Nova Tabačka Kulturfabrik en het Kasárne Kulturpark. Beide plekken bevallen ons echt. Het is duidelijk dat het hippe stadsleven het hart van Oost-Europa heeft bereikt! Voor de afwisseling slenteren we door de stad, laten ons natspetteren aan de vrij kitscherige ‘zingende’ fontein en ontdekken de ondergrondse gangen van het historisch centrum.

Regen, zon en ijs

De fietsen zijn gemaakt en wij zijn klaar voor het Slovaakse binnenland. Gezapig klimmen we terug de Karpaten in. Oh ja, onderweg moeten we onze énige lekke band van de fietsreis vervangen! In de bergen blijft het weer onvoorspelbaar. Donkere wolken pakken zich samen en wij kunnen net op tijd onze tent opstellen in een tuin onder een afdak.

’s Ochtends vertrekken we droog, maar tijdens een klim over een grotendeels onverhard bospad begint het weer te gieten. Nog zo’n wonderlijk moment van fietsreizen: een piepklein beetje afzien, gewoon doorgaan en uiteindelijk volop genieten. Halverwege onze beproeving klaart de hemel terug open. Marie en Bent hebben niet de gewoonte om te zeuren over de regen, maar nu de zon terug schijnt worden ze euforisch. Marie besluit de rest van de onverharde route door het bos mee te lopen in plaats van te fietsen. Het laatste stuk gaat door een oude spoorwegtunnel… 300 meter donkerte geeft een heel bijzonder gevoel. We verlaten de Hornád en volgen nu een kleinere zijrivier, de Hlinec. Het landschap wordt geleidelijk opener. Af en toe passeren we een Roma-wijk, maar in Nálepkovo is de aanwezigheid van de Roma-gemeenschap opvallend. Al wonen Roma en ‘gewone’ (als er al zoiets zou bestaan) Slovaken door en vooral naast elkaar.

Al enkele dagen verlekkeren we ons op het bezichtigen van een heuse ijsgrot. Vanuit ons pension in Stratená wandelen we naar een klein stationnetje. Slechts één halte verder stappen we af en klimmen we naar de ingang van de grot. We zijn onder de indruk: ijsstalagmieten en -tieten binnen, 25 graden buiten. De rondwandeling in de grot zelf duurt nog geen uurtje en daarna wandelen we door de bossen de bergkam over, terug naar ons pension. Een trap en een paar hangbrugjes over een kloofje voegen een tikkeltje avontuur toe aan de wandeling.

Een tocht door het paradijs

Het weer is goed, dus we vertrekken diezelfde namiddag verder noordwaarts. We kiezen voor een kronkelwegje over een bescheiden bergpas van 1000 m hoog doorheen het Nationaal Park ‘Slowaaks Paradijs’. Op de pas zien we voor het eerst de scherpe toppen van de Hoge Tatra liggen, het enige alpiene gedeelte van de Karpaten. Als extraatje krijgen we een 20 km lange afdaling cadeau… In het park kiezen we als uitvalsbasis een piepkleine camping met enkele vakantiehuisjes en een klein café-restaurant. Er hangt een los, aangenaam sfeertje en de plek is alleen maar te voet of met de fiets bereikbaar. Marie en Bent laten zich helemaal gaan op de speeltuin met kabelbaan en wij laten ons enkele halve litertjes Zlatý Bažant (gouden fazant) bier smaken. De gefrituurde snack-keuken nemen we er maar bij.

Hoe de reis verder gaat door Polen lees je in deel 2.

Tekst en foto’s: Steven Clays en Katrien Verstraeten
Bron: Op Weg 2016 2